We zaten op den bureau na de toer met enkele collega’s.
“Wat hoor ik,” zegt een collega: “op stap geweest met Benjamin*” Benjamin* is een oud-collega van ons.
“Op stap geweest is veel gezegd,” frons ik: “daarbij was er een chaperonne bij.” We waren gewoon een koffie gaan drinken bij een gezamelijke vriendin. Wijlen haar man hebben we nog verzorgd indertijd.
“Ik denk dat ik eens een klappeke moet doen met Smoker.” lacht ze gespeeld.
“Pff, ge gaat nog veel moeten doen om Smoker jaloers te krijgen.” Ondertussen vind ik het gesprek allesbehalve leuk want de rest van de collega’s luistert nieuwsgierig mee. “Benjamin is nu alleen,” licht ze toe voor de anderen: “nu ben ik jaloers, hoor!” knipoogt ze: ” want ik hoor dat je veel smst met hem.”
“Dat is om een uur af te spreken,zoveel sms ik daar ni mee;” wuif ik dat weg: “daarbij, jaloers? Gij zijt toch niet alleenstaand?”
“Gij toch ook niet!” antwoord ze terug.
“Touché.” lach ik maar mee en het gesprek wordt terug algemener.
Ik snapte niet waarom ze dat zomaar in de groep gooide, de insinuatie die er achter stak vond ik vervelend naar de anderen toe. Benjamin* was/ is ne knappe, toffe kerel. Type mysterieuze collega die zich graag onzichtbaar maakte naar collega’s toe. En nu is dat persies van amai, Happy Genes heeft nog wel contact met Benjamin*. Had ze dat nu gewoon onder ons gegrapt had ik er niks achter gezocht. Nu blijf ik maar denken: waarom toch?